't Bruggetje Molenhoek
Verleden eeuwen
Het station Mook-Middelaar, later Mook-Molenhoek.
De Maaslijn loopt in de eerste acht kilometer vanaf Nijmegen grotendeels parallel aan de spoorlijn richting Kleve. De spoorlijn is oorspronkelijk enkelsporig aangelegd, met ongeveer elke zes kilometer een station voorzien van kruisings- en passeermogelijkheden. Het grootste deel van het baanlichaam, evenals de pijlers van de Maasbrug bij Katwijk, is echter reeds voorbereid op een mogelijke toekomstige uitbreiding naar dubbelspoor. De verbinding maakt deel uit van de derde staatsaanleg en vervult een
belangrijke rol in het vervoer van steenkool vanuit Limburg naar diverse regio’s in Nederland. In de eerste decennia van haar bestaan worden via deze route bovendien doorgaande reizigerstreinen ingezet tussen Amsterdam en Maastricht. Het station Mook wordt voorzien van een stationsgebouw volgens hetzelfde ontwerp als dat van Cuijk, Grubbenvorst-Lottum, Meerlo-Tienray en Vierlingsbeek. Het betreft een asymmetrisch gebouw, waarbij het hogere bouwdeel samen met de korte rechter zijvleugel als dienstwoning fungeert. Het middendeel wordt bekroond met een karakteristieke trapgevel.
Vanaf 1891 draagt het station de naam Mook-Middelaar.
Boven: situatie 1894 zonder bruggetje.
Boven: het station in 1970
Het bruggetje in de Heumensebaan
Reeds vóór de aanleg van het spoor vervulde de Heumensebaan een belangrijke functie als verbindingsroute tussen Heumen en Groesbeek. De oorspronkelijke benaming “de weg van Heumen naar Groesbeek” onderstreept het historische belang van deze rechtlijnige verbinding, die intensief werd gebruikt door boeren, handelaren en lokale bewoners. Met de ingebruikname van de spoorlijn Nijmegen–Venlo in juni 1883 veranderde de situatie in de omgeving ingrijpend. Ook de verbinding tussen Heumen, Molenhoek en Groesbeek werd hierdoor minder eenvoudig, aangezien voortaan de spoorweg moest worden gekruist.
Kaartje hierboven: situatie in 1895 met bruggetje.
In die periode kon dit nog als risicovol worden ervaren, mede doordat de beveiliging van overwegen beperkt was naar hedendaagse maatstaven. Dat spoorwegovergangen in die tijd daadwerkelijk gevaar opleverden, blijkt onder meer uit een bericht in de Winterswijksche Courant van 26 april 1902. Ten tijde van de aanleg van het bruggetje was het verkeersaanbod nog zeer beperkt. Het verkeer bestond voornamelijk uit voetgangers, fietsers en door paarden getrokken rijtuigen en karren. Incidenteel passeerde een automobilist; in die periode waren auto’s nog een zeldzaamheid en voorbehouden aan welgestelde bewoners, zoals artsen en andere notabelen.
Boven: bericht in de Winterswijksche Courant van 26 april 1902