De Slag op de Mookerheide

Verleden eeuwen


De Slag op de Mookerheide

De slag op de Mookerheide vond plaats tijdens de regeerperiode van de Spaanse koning Filips II, die ook heer der Nederlanden was. Filips kreeg in 1555 het bewind over de Nederlanden (een gebied zo groot als de tegenwoordigeBenelux) van zijn vader, de Duitse keizer Karel V.

Filips streefde van het begin af aan naar een centraal gezag over zijn rijk, waarbinnen hij bovendien de (in zijn ogen) enig ware godsdienst – het katholicisme – wilde handhaven.

 

Op beide terreinen ondervond hij in de Nederlanden steeds grotere weerstand. Vooral de meedogenloze kettervervolgingen onder de calvinisten en lutheranen zetten enorm veel kwaad bloed. Een grote opstand, die in 1566 ontaardde in de beeldenstorm, leidde

ertoe dat Filips zijn toevlucht tot militair ingrijpen moest zoeken, hetgeen het begin van de Tachtigjarige Oorlog inluidde.

Deze zou duren van 1568 tot 1648.

In het voorjaar van 1574 wilden de graven Lodewijk en Hendrik van Nassau met een leger van 3000 ruiters en 6000 voetknechten ondersteuning verlenen aan hun broer Willem van Oranje. Willem, die de opstand in de Nederlanden leidde en met zijn troepen toentertijd in de Bommelerwaard gelegerd was, kon die steun wel gebruiken omdat hij de inwoners van Leiden wilde gaan

helpen in de strijd tegen de belegering van hun stad door de Spanjaarden.

Komende vanuit Maastricht werden Lodewijk en Hendrik en hun manschappen echter op 14 april bij Mook door een groot Spaans leger de pas afgesneden en kwam het tot een bloedig treffen, waarbij aan Nassause zijde ruim 6000 doden vielen.

Ook hun aanvoerders Lodewijk en Hendrik kwamen bij deze veldslag om het leven.

De Spaanse koning - en heer der Nederlanden - Filips II (1527-1598). Pas drie eeuwen later werden er plannen ontwikkeld tot oprichting van een gedenkteken ter nagedachtenis aan de twee graven van Nassau.

Waarschijnlijk gebeurde dat onder invloed van de onthulling van een monument in Heiligerlee voor Adolf van Nassau op zijn 300e sterfdag in 1868.

Ook publicaties in 1887 en 1889 van de hand van de Groningse hoogleraar P.J. Blok over Lodewijk van Nassau zullen hierbij een rol hebben gespeeld, evenals verschillende andere geschriften in het laatste kwart van de 19e eeuw, die de verdiensten van de leden van het Oranjehuis voor de volledige vrijheid van de Nederlanden onder de aandacht moesten brengen.

Een commissie, bestaande uit een viertal heren met de schitterende namen P.W. Alstophius Grevelink,

B.W. Wttewaal van Wickenburgh, J.C. Gijsberti Hodenpijl en A.J. Meerburg Snarenberg, kwam in eerste instantie met het plan ergens op het slagveld een ijzeren gedenkteken te plaatsen. Maar dat idee heeft men vooral uit kostenoverwegingen weer snel laten varen.

Volgens de commissie stond de invloed van weder en wind, gebrek aan voldoend toezicht, ook de schendende hand van baldadigen, vooral op de zoo weinig bezochte Mookerheide, een deugdelijk onderhoud in den weg. De commissie besloot daarop

een monument te laten plaatsen in de meeste naburige trouw bezochte Protestantsche kerk en dat was in Heumen.

 

Tekst uit: 't Zwaantje en de Biesselt, een herberg en een buurtschap op de Mookerheide